door Hans Kuitert AMSTERDAM - Zo hij nog leeft, is Ghalib ongetwijfeld een van de soldaten van de nieuwe vijand van het Westen. Twaalf jaar was hij toen hij in 1992 bijna mechanisch een vers uit de koran liet galmen door het droefgeestige vluchtelingenkamp bij de Pakistaanse stad Quetta. Uit zijn ogen sprongen tranen noch fanatisme, er sprak slechts gelatenheid uit. Ghalib, met zijn zwarte tulband, was een koran-leerling, een Talib.

|
Ghalib (links) is één van de Afghaanse weeskinderen die in vluchtelingenkampen in Pakistan de koran leerde. (Foto: De Telegraaf - Israel)
|
Als zijn leiders Osama bin Laden niet aan de borst hadden gesloten, zouden hij en zijn schoolvriendjes misschien zelfs medelijden kunnen opwekken. Deze Taliban zijn evenzeer slachtoffers van het drama-Afghanistan, waar Oost en West de laatste Koude Oorlog voerden. Piepjong, meestal wees en door vaak ongeletterde mullahs gehersenspoeld, kent dit leger van Allah alleen de koran. En omdat het allemaal telgen zijn van de krijgshaftige Afghaanse Pasjtoen-stammen, zit het hanteren van wapens hen in de genen.
Het beeld van de Taliban dat aan het westerse oog beklijft, is natuurlijk het vertrappen van de rechten van de vrouw, gruwelijke openbare executies en het verbannen van moderne vensters op de wereld, zoals televisie en foto's. Volgens sommigen een terugkeer naar de Middeleeuwen.
"Ghalib", zei zijn leraar, "is mijn beste leerling. Zijn ouders zijn gedood door de Russen. Zijn dorp is platgegooid. Hij heeft alleen Allah en mij." Op aansporing van de leraar onthulde de jongen dat hij een droom had. "Ik wil dat Afghanistan wordt zoals het in de koran staat, een land van zuiveren, een land in vrede."
Ghalib was zestien jaar toen de Taliban in Afghanistan hun heilstaat stichtten in 1996, die echter voor andersdenkenden het tegendeel zou inhouden.
In de Afghaanse werkelijkheid hadden de Taliban aanvankelijk niet eens ongelijk. De oude moedjaheddien-leiders hadden de vrede niet gebracht na het vertrek van de Russen in 1989 en de val van het communistische regime in 1992. Ze waren corrupt, leefden van onderlinge krijg die ze bekostigden met de teelt van opium, die zijn weg vond naar westerse markten. Het volk werd geterroriseerd door strijders uit de heilige oorlog tegen de Russen, die zich ontpopten als ordinaire criminelen.
Bij hun opmars werden de Taliban aanvankelijk verwelkomd. Ze verbrandden de papavervelden, ontwapenden de bevolking en wisten iets van vrede tot stand te brengen.
Net als Ghalib waren de Taliban opgegroeid in kampen, los van hun door oorlog uiteengeslagen families en dorpsgemeenschappen. Voor de mullahs waren zij een vruchtbare voedingsbodem voor een vrouwvijandig klimaat. De andere helft van de mensheid was door omstandigheden en godsdienstonderricht uit hun leven weggesneden. Eenmaal in Afghanistan vonden zij het de normaalste zaak vrouwen uit het leven te verbannen.
Daarvoor in de plaats stond Allah aan hun zijde, zo was het hun ingepeperd. Hun vrouwenloze bestaan werd een levensstijl, hun strijdlust voor Allah een heilige opdracht, hun bewondering voor de mysterieuze 44-jarige mullah Mohammed Omar bijna mythisch.
Anders dan de moedjaheddien die zich nog volop bewust waren van hun tradities en stammencultuur, weten de Taliban niets van de geschiedenis van hun land. Van de islam echter weten ze alles.