STOCKHOLM - De glansrijke loopbaan van voormalig Wereldbank-topeconoom Joseph Stiglitz (58) is gisteren bekroond met de Nobelprijs voor economie. Stiglitz, die Bill Clinton tijdens zijn presidentschap heeft bijgestaan als adviseur, is de bekendste van de drie Amerikanen aan wie de felbegeerde prijs op maandag 10 december zal worden uitgereikt.
Ook de hoogleraren George Akerlof (61) en Michael Spence (58) van respectievelijk de Universiteit van Californië-Berkeley en Stanford Universiteit komt deze eer toe. Stiglitz, Akerlof en Spence moeten het bij de Nobelprijs voor economie behorende geldbedrag van circa 2,3 miljoen met elkaar delen.
Volgens de Koninklijke Zweedse Academie voor de Wetenschappen krijgen de drie Amerikanen de Nobelprijs "voor hun werk bij het maken van analyses op markten met ongelijke informatie". Ze hebben de basis gelegd voor de moderne economische informatie door uit te werken wat er gebeurt als sommigen in een markt meer weten dan anderen, aldus de academie.
Wie geld leent, weet meer van zijn financiële positie dan degeen die dat geld beschikbaar stelt. Directeuren hebben een beter beeld van de winstgevendheid van hun bedrijf dan de aandeelhouders en wie verzekerd is, heeft meer inzicht in zijn risico's dan een verzekeraar.
In de jaren zeventig hebben de prijswinnaars de fundamenten gelegd voor een algemene theorie over ongelijke informatie, die de weg baande voor een reeks van toepassingen, zoals op de traditionele landbouwmarkten en de moderne financiële markten. Ze hebben de kern gevormd van de moderne theorie van de informatie-economie, aldus de Zweedse academie.
Akerlof heeft in zijn veelgeprezen werk 'The market for lemons' aangetoond dat wanneer een verkoper meer informatie heeft over de kwaliteit van een product dan een koper, er slechts producten van minder goede kwaliteit op de markt komen. Hij heeft zich voorts verdiept in de frequentie en het belang van informatieproblemen in verband met schulden van de Derde Wereld. Ook verdiepte hij zich in de problemen van ouderen bij ziektekostenverzekeringen en in discriminatie tegen minderheden op de werkvloer.
Spence analyseerde de werkwijze van hen die goed zijn geïnformeerd. Om meer geld binnen te krijgen, geven ze veel geld uit om op een geloofwaardige manier hun informatie over te brengen. Het informatieniveau blijkt volgens Spence ook een signaal voor de productiviteit op de arbeidsmarkt te zijn.
Stiglitz, één van de grondleggers van het neo-Keynesianisme, richtte zich op de partijen die minder goed zijn geïnformeerd. Zo dekt een verzekeringsmaatschappij zich in door tegenover lage premies een hoog eigen risico te stellen. De bijdrage van Stiglitz zit met name in het inzicht dat ongelijke informatie cruciaal is voor het verklaren van marktontwikkelingen.
Vooral voor Stiglitz betekent het winnen van de Nobelprijs een grote triomf. De hoogleraar van de Columbia Universiteit in New York vertrok vorig jaar met ruzie bij de Wereldbank. Zijn denkbeelden waren linkser dan op dat moment binnen de instelling opportuun was. Ook zorgde zijn kritische houding tegenover het optreden van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) tijdens de Azië-crisis voor spanningen tussen de Wereldbank en het IMF.
De Nobelprijs voor economie is in 1968 ingesteld door de Zweedse centrale bank. De Nederlandse hoogleraar Jan Tinbergen won de onderscheiding een jaar later voor het introduceren van de wiskunde in de economie. Tot nog toe hebben 49 personen de Nobelprijs voor economie gewonnen, onder wie 32 Amerikanen. Deze Nobelprijs wordt altijd in dezelfde periode uitgereikt als de andere Nobelprijzen die al honderd jaar geleden voor het eerst werden toegekend.