In 'La Cérémonie' moorden twee vrouwen...

De dood waart door het oeuvre van Claude Chabrol

door Dick van den Heuvel

"Moord is altijd mijn thema geweest", lacht de bourgondische Claude Chabrol als we hem ondervragen over 'La Cérémonie'. Daarin toont hij twee vrouwen (Sandrine Bonnaire en Isabelle Huppert) die allebei een verleden met zich meedragen. De een is verantwoordelijk voor de dood van haar dochter, de ander heeft haar vader van het leven beroofd. In de crisis van hun bestaan worden ze gedreven naar een nieuwe moord. Maar nu een die ze samen plegen, zodat de daad niet meer zo zwaar op hun verdere leven zal rusten.

"De dood is een grote inspiratiebron", legt hij uit. "Op een of andere manier kun je onuitputtelijk vertellen over wat er omgaat in het brein van de moordenaar. Wat brengt hem tot die afschuwelijke daad? En de belangrijkste vraag is natuurlijk: zou ik zelf in staat zijn om een moord te plegen? Wat is er voor nodig om mezelf tot zulke wanhoop te brengen?"

Inderdaad kunnen we nogal wat lijken vinden in de kilometers film die Chabrol in zijn veertigjarige loopbaan heeft vervaardigd. Talloze commercieel bedoelde krimi's zitten er bij, maar ook zwartgallige en meer persoonlijk bedoelde films als 'Les Noces Rouges', 'La Scandale' of 'La Femme Infidèle'. Er zitten twee kanten aan zijn oeuvre. Er is dat onophoudelijke gelonk naar het grote publiek dat op onverwachte momenten doorbroken wordt met donkere poëtische films voor een handvol toeschouwers.

"Ach, ik ben slechts een blad dat waait op de tijdgeest", haalt hij de schouders op. "Ik ga daar waar mijn kansen zijn. Mijn eerste film kon ik maken doordat mijn schoonmoeder ons een erfenisje achterliet. In totale vrijheid verbraste ik het geld, ik was immers mijn eigen producent. Ik raakte haast failliet, maar ik was wel verslaafd geraakt aan het medium. En om door te kunnen filmen, moest ik wel een kniebuiging maken. Maar nimmer door mijn geweten te bezoedelen."

Zo'n tien jaar geleden werd Chabrol ook persoonlijk getroffen door een moorddrama. Zijn vaste scenarioschrijver Paul Gégauff werd door diens echtgenote op zeer brute wijze om zeep geholpen. Heeft dat incident zijn werk beïnvloed? "Nee. Nu de rouw voorbij is, voel ik dat het op een of andere manier in mijn leven ook daadwerkelijk moest plaatsvinden. Diezelfde moord had daarvoor al zolang rondgewaard in onze films, dat hij zich onafwendbaar ook een keer in de werkelijkheid moest gaan afspelen. Op het moment zelf was het schokkend en was ik er kapot van. Nu zie ik langzaamaan een lijn in mijn leven, met dat drama als gruwelijk dieptepunt."

"Ik film sindsdien het doden van een mens wel op een intensievere manier. Vroeger kon ik nog wel eens lachen om een mooie moord, vooral in een lichtvoetige detective. Dan was het ensceneren een grote grap voor mij. Ik koos de mooiste dolk uit, of ik genoot van het instrueren van de wurger in kwestie. In film is de dood een vorm van amusement, dus waarom zou ik als regisseur mij er dan niet mee mogen vermaken."

Z'n uitdrukking slaat om. "Maar met die herinnering op het netvlies gaat het me niet zo makkelijk meer af. Ik voel het regisseren intussen ook als een taak die ik heb tegenover de doden en niet alleen tegenover het publiek. Ik moet de moord zo filmen, dat hij eer doet aan het slachtoffer. Anders wordt het een vals soort geblaat, een verkeerde vorm van zelfbevlekking."

Publicatie 28 maart 1996