&referer=" WIDTH="0" HEIGHT="0" BORDER="0" ALIGN="LEFT" ALT="">

Nergens groeit de vakantiemarkt
zo hard als in Costa Rica

door Nico van der Zwet Slotenmaker

SAN JOSÉ - Costa Rica is het troetelkind van hen die in het kader van de ontwikkelingshulp over een paar grijpstuivers beschikken. Want het land is onverdacht. Ga maar na: vrouwenkiesrecht is er al heel lang, vrijwel iedereen kan lezen en schrijven, er is een democratie en het mooiste van alles is dat er niet eens een leger is. Lieflijker kan het niet. Als iemand het paradijs reeds op aarde deelachtig is geworden dan is het wel de Costaricaan, de 'Tico', die alleen zijn handen maar niet juichend ten hemel kan heffen omdat hij die lichaamsdelen nodig heeft om zijn rafelige broek op te houden.

Dat Costa Rica in Latijns-Amerika op vele fronten koploper is mag waar zijn, maar dan alleen en uitsluitend onder het motto dat in het land der blinden eenoog koning is. De rest is er nog erger aan toe. Erger dan de Tico die na moeizaam zwoegen een paar duizend gulden per jaar op tafel weet te toveren en een beetje leeftocht mag verbouwen op het stukje grond dat hem door de landeigenaar genadiglijk wordt afgestaan.

Want ook in het veel geprezen Costa Rica hebben maar een paar families het voor het zeggen. Die bekonkelen de hele zaak en lachen zich waarschijnlijk drie keer per dag een breuk als 'de buitenlandse hulp' bij miljoenen per week binnen komt rollen. Nederland doet daarbij uiteraard volop mee, maar ook uit Scandinavische hoek wordt vaak en veel gestort in een poging het geweten tegenover 'de minder bedeelde medemens' af te kopen.

De mobiele telefooncel is zeer in trek bij de schoolmeisjes van Cartago.

Normaal trekken de toeristen zich niet zo verschrikkelijk veel aan van de politieke roerselen op hun vakantiestek. Het zal ze worst zijn door wie en hoe er wordt geregeerd, anders was Spanje onder Franco ook wel met minder badgasten bedeeld geworden.

Maar met Latijns-Amerika ligt het toch iets anders. Daar is een junta, vaak revolutie en het leger staat er aan het hoofd. Dat heet dan een generaalsregime of iets lager gemikt een kolonelsregime. En dat schijnt op voorhand niet te deugen. Nu heb ik zelf geen hoge officieren in mijn kennissenkring, maar ik mag toch aannemen dat er onder hen ook redelijke lieden schuilen en dat het dragen van een serie sterren iemand niet meteen als misdadiger of tiran bestempelt. Die gedachte koestert de westerling ook niet, dat wil zeggen, als het zijn eigen omgeving betreft. Aan de andere kant van de oceaan is het echter mis in de legertop.

De bron waar de zwarte madonna op 2 februari 1935 aan het volk zou zijn verschenen.

Dat komt de leiders van Costa Rica dus goed van pas. Ze hebben geen leger, blazen dat ook gedurig van de toren en hoeven alleen maar aan de grens te gaan staan om hét geld binnen te zien stromen. Geld in de vorm van toeristen ook, want vrijwel nergens ter wereld groeit de vakantiemarkt zo hard als in dit land.

En niet met positieve gevolgen alleen. De gewone Tico nam de paar rijkaards in zijn land vroeger als iets dat er gewoon bij hoorde. Nu er echter steeds meer buitenlanders komen ook om er zich in een meer dan zonnig belastingklimaat te vestigen begint hij in te zien dat hij bij het verdelen van de koek wel op een heel ongelukkige plaats terecht is gekomen. Hij wil ook wat en waar berovingen van buitenlanders voorheen uitzonderingen waren moet je nu wel degelijk meer op je tellen passen. In 'The Tico Times', de Engelstalige krant van het land lees ik het verhaal van een inheemse natuurkenner die regelmatig met groepjes (buitenlandse) liefhebbers het veld en de bossen intrekt en nu met zijn hele gezelschap bruut werd beroofd. 'Als de kloof tussen arm en rijk in ons land steeds groter wordt kan je deze dingen verwachten' was zijn commentaar.

De riviertjes tussen de koffieplantages moeten via smalle bruggetjes worden overwonnen.

Echt boos werd hij pas toen hij de agenten, bij wie hij aangifte had gedaan, twee uur later nog rustig op het terras van hun bureau zag zitten. Ze deden niets. Hadden ook geen voertuig ter beschikking om uit te rukken. Het is heel gewoon dat als een inbraak wordt gemeld de sterke arm der wet alleen de schade wil komen opnemen als de gedupeerde een taxi voor ze betaalt. Dat is een beetje de mentaliteit geworden. Iemand anders moet er voor opdraaien. Zo is het bijvoorbeeld ook met de vuilverbrandingsinstallatie die nu toch langzamerhand wel heel dringend nodig is bij de hoofdstad San José. Zeker de helft van de kosten wil het buitenland wel voor zijn rekening nemen, maar dat vindt Costa Rica niet genoeg. Al de centen moeten van elders komen. Anders maar geen bouw.

Opnieuw, de toerist zal het allemaal een zorg zijn. Die trekt naar de oogverblindende stranden, want hij is toevallig eens een keertje op vakantie. Dit keer laat ik het pootjebaden eens achterwege. Er staat een bezoek aan Cartago op het programma, de eerste hoofdstad van het land die in de loop der eeuwen dermate door aardbevingen is geteisterd dat er een ander centrum moest worden gezocht. Dat zie je vaker, de ontdekker kiest het plekje uit dat hem het aardigst voorkomt om pas later tot de ontdekking te komen dat het er nogal ondergronds rommelt.

Van de oude kathedraal van Cartago zijn na verschillende aardbevingen alleen sommige muren nog over. Rondom wordt een park gemaakt.

Niet dat Cartago is vergeten, verre van dat. Op 2 augustus 1635 is hier immers de zwarte maagd aan het volk verschenen en ieder jaar op deze dag is er een geweldig drukke bedevaart waarbij het de gewoonte is de 22 kilometer tussen San José en de vroegere hoofdstad te voet te overbruggen. En het laatste stuk op de knietjes uiteraard. Ondernemers die overal geld weten uit te slaan, verkopen van oude autobanden gemaakte knielappen zoals je bij onze stratenmakers wel eens ziet dragen. Om aan de maagd kenbaar te maken welke lichaamsdelen je graag opgeknapt zou zien, worden miniaturen ervan in de kerk opgehangen. Zilveren beentjes, gouden armpjes, een ivoren voetje en natuurlijk veel gebroken harten. Twee keer is de madonna gestolen. In 1950 door José Leon Sanchez die voor deze euveldaad twintig jaar moest boeten in een cel op het eiland San Lucas. Daar besloot hij een bekend schrijver te worden en dat is hem gelukt ook.

De gewone bevolking van Cartago is de drukte in en rond de kerk gewend. De in uniform gestoken schoolmeisjes hebben meer belangstelling voor een soort mobiele telefooncel waarvan acht bellers tegelijk gebruik kunnen maken.

Een bezoekje aan de botanische tuin mag niet worden overgeslagen.

Daar ik ze toch niet kan verstaan ga ik maar eens een stuk verderop naar de Jardin Botanico Lankester waar veel moois is te zien. Vooral van februari tot april. Wat dacht u bijvoorbeeld van 800 soorten orchideeën? Verder gaat het langs de koffieplantages, de finca's, met veel riviertjes in de diepte die via eenrichtingsbruggetjes genomen moeten worden. Sommige finca's drijven ook een restaurant en in 'La Casona del Cavetal' zit je uniek aan de boorden van een stuwmeer.

In Ujarras zie ik de resten van een kerk van meer dan drie eeuwen oud waarvan de mare luidt dat hier destijds met succes is gebeden om steun, teneinde een Britse inval te doorstaan.

Als het maar even regent worden de stroompjes van Costa Rica snel onstuimige rivieren.

Toen was nog lang niet iedereen welkom. Nu wel. En terecht, al moet de toeristische koning van Latijns-Amerika er wel voor waken dat er te veel vuiltjes in dat ene oog komen.

Publicatiedatum = 21 maart 1998