|
![]()
|
|
![]() |
Mandawa, een Indiaas sprookje in de woestijn
Het is alweer enkele jaren geleden dat mijn man en ik een paar weken in India doorbrachten.
Een in Nieuw Delhi wonende kennis had ons uitgenodigd om een kijkje te komen nemen in
deze wereld op zich en half maart zijn we afgereisd. Het is dan het begin van de lente met
aangename temperaturen en frisse nachten, in tegenstelling tot de snikhete zomers die door het
constant uitvallen van de electriciteit en dientengevolge de airco, bepaald geen pretje schijnen
te zijn.
Een van de korte tochten die we vanuit Nieuw Delhi ondernamen, ging naar Mandawa, een
kleine plaats midden in de Rajahstaanse woestijn. Normaal is dat in zo’n 5 uur per auto te
bereiken, maar de chauffeur van onze auto was niet de allerslimste en reed alles fout wat fout
te rijden was. Ook de tientallen volgeladen karren met kamelen als trekdier die de smalle
wegen volledig bezetten, weerhielden ons om enigszins op te schieten. Keer op keer moest de
chauffeur de karren met luid getoeter de berm in sturen opdat we konden passeren. Stops
onderweg waren niet te maken omdat er eenvoudig niets was, behalve een paar armetierige
dorpjes waar weinig te halen viel. Voor de chauffeur moet het helemaal een verschrikkelijke rit
zijn geweest, want pas na ruim zeven uur nonstop rijden (!) arriveerden we stijf, moe, hongerig
en vooral dorstig in Mandawa.
In Mandawa, een klein dorp in het Shekhavati-gebied en vroeger een levendig kruispunt op de
handelsroutes tussen het Midden-Oosten en China, staan nog heel wat “haveli’s”, oftewel
koopmanshuizen uit de vorige eeuw, de gevels met vrolijke kleuren en scenes beschilderd. De
meeste zagen er helaas enigszins haveloos uit, zoals op het eerste gezicht ook het enorme uit
1755 daterende kasteel dat tot hotel is omgebouwd en waar we zouden overnachten. De
eigenaar en baas van het hotel, een telg uit het adellijke geslacht dat eeuwen over het wel en
wee van Mandawa besliste, heette ons in goed Engels hartelijk welkom en nodigde ons uit
voor de thee op het terras aan het binnenhof. Zelden hebben een eenvoudig kopje thee en de
beslist geen luxe koekjes zo lekker gesmaakt als na die lange rit!
De gastenkamers die hij ons vervolgens met enige trots toonde, ademden een voorbije stijlvolle
weelde en glorie uit. Het waren echt vorstelijke vertrekken met antiek Indiaas meubilair. Grote
marmeren plateau’s met matrassen en fleurige Indiase spreien deden dienst als bedden. Daar er
weinig andere gasten in deze uithoek waren, mochten we kiezen in welk vertrek we wilden
overnachten. We kozen uiteindelijk een grote kamer die met de minste trappetjes en
wandelingen over smalle paadjes langs de kantelen van het inmense kasteel te bereiken was.
Dat leek ons veiliger als ‘s avonds onverhoopt de electriciteit weer eens mocht uitvallen.
Laat in de middag maakten we nog een wandeling door het dorp om de toch wel mooie
beschilderde haveli’s nader te bekijken. Er was in heel Mandawa geen bestrating, zelfs niet in
de nabijheid van het kasteel dat aan één van de rommelige en drukke ‘hoofdstraten’ lag.Veel
straatverkopers van allerhande eetwaar, ontelbare kinderen, maar ook kamelen, heilige koeien -
zelfs een schattig heilig kalfje -, geiten, ossen en veel pauwen vormden er het straatdecor. Er
werd vooral door vrouwen en kinderen nogal agressief gebedeld. Vervelend, maar ook
begrijpelijk in dit dorre gebied waar veel armoede heerst.
Het avondmaal in het kasteel werd een voor ons onvergetelijke belevenis. Het vond plaats op
de binnenplaats van de ‘zenana’ (het vroegere vrouwenverblijf), waar men in het midden een
groot vuur had gestookt. Dat was best aangenaam want het koelde behoorlijk af ‘s avonds.
Hoewel er wel enkele tafels met stoelen klaar stonden, werden we door de eigenaar
uitgenodigd om, net zoals vroeger gebeurde, op kussens op de grond bij het vuur plaats te
nemen.
Langs de kantelen op de bovenste etage begon op gegeven moment - zoals lang geleden bij
hoog bezoek - een optocht van in kleurig Rajahstaanse kleding gestokken mannen,
voorafgegaan door een opa met de meest indrukwekkende snor ooit gezien, die met fakkels
het eetspektakel aankondigde. De mannen droegen ieder met opgeheven arm hoog boven hun
hoofd een schaal met wat ons avondmaal zou gaan worden. Zo kwamen ze met luide Indiase
muziek naar beneden en zetten de schalen op kleine vuurtjes aan de kant van de binnenplaats.
Nadat we onze borden hadden gevuld met allerhande gerechten en ietwat ongemakkelijk op de
kussen de diverse curry’s zaten te proeven, verscheen een zangeres met een muzikant ten
tonele om ons aangenaam te verpozen. Nou ja, aangenaam...., het klonk een beetje als
kattengejank, terwijl de muzikant erachteraan huppelde als een gedresseerde aap!
Nadat we hadden gegeten, werd er koffie geserveerd en kwam een oude baas een poppenspel
opvoeren dat wel iets weg had van het Indonesische Wajang Golekspel. Dit poppenspel werd
in Mandawa al van generatie op generatie opgevoerd, vertelde de hoteleigenaar ons. Hoewel
onverstaanbaar, was het een kostelijke vertoning. Er kwam schijnbaar nogal wat humor in
voor, want er werd veel gelachen door de aanwezige personeelsleden. We werden echter
steeds stijver van de ongemakkelijke kleermakerszit en waren blij om niet al te laat naar onze
kamer te kunnen gaan.
Vorstelijk lagen we even later op het grote marmeren plateau dat achteraf echter toch wel een
heel erg harde ondergrond bleek te zijn. Moe als we waren, namen we dat graag voor lief en de
nacht had waarachtig sprookjesachtig kunnen zijn, ware het niet dat een luidruchtige moskee
ons nog urenlang uit de slaap hield. We werden niet bepaald uitgerust de volgende morgen
wakker.
Het uitgebreide Engelse ontbijt (koloniale naweeën) dat op het hoogste dakterras werd
geserveerd, maakte alles gelukkig weer goed. Het was nog behoorlijk fris, maar het
schitterende en wijdse uitzicht over de Rajahstaanse woestijn in de opkomende zon maakte het
tot een mooi slot van ons korte verblijf in dit verafgelegen kasteel.
|