AMSTERDAM - Nog maar drie jaar geleden. Het Nederlandse poldermodel had een wonder gebaard. De internationale pers schreef over 'The Dutch Miracle'. Bestuurders uit vele landen kwamen naar ons land om het wonder zelf te aanschouwen en Nederlandse bewindslieden en sociale partners togen op missie naar het buitenland om het toe te lichten en te verklaren. Een langjarige goede samenwerking tussen overheid en sociale partners, met afspraken over een gematigde loonkosten ontwikkeling als basisrecept, had geleid tot opzienbarende prestaties.
Een economisch groei van rond de 4%, een bijna verdwenen werkloosheid en kerngezonde overheidsfinanciën. Wat waren we met zijn allen trots op ons wonder.
De Miljoenennota 2003. Wat iedereen al wist, wordt nog eens keihard bevestigd. Na zeven wonderbaarlijke jaren met een economische groei van gemiddeld 3,4 % is het wonder in het niets opgelost . Wat rest is een land dat economisch achterop dreigt te raken. Hoe heeft het zover kunnen komen?
Antwoord. Overheid en sociale partners hebben in de jubeljaren, zich koesterend in de behaaglijke warmte en uitstraling van het wonder, de realiteit onvoldoende in het oog gehouden . Het leek niet op te kunnen. In die jaren is de loonkostenontwikkeling, mede ook door krapte op de arbeidsmarkt, in Nederland ten opzichte van andere landen onverantwoord hoog geweest. Dat heeft geleid tot een sterke verslechtering van de internationale concurrentiepositie en een aantasting van de winsten van ons bedrijfsleven en een terugval van de productie in de marktsector. Bovendien zijn veel bedrijfsinvesteringen in het internet luchtballonnen gebleken. Ook daardoor zijn kansrijke investeringen in de kenniseconomie en een vernieuwing van de productie onvoldoende tot stand gekomen. Zeker voor de toekomst geldt dat de Nederlandse welvaart in belangrijke mate zal afhangen van nieuwe economische activiteiten.
Vroeger, heel lang geleden, zo wordt verhaald, vonden er wel eens wonderen plaats, zo maar gratis, voor niets. In de 21e eeuw gaat alleen de zon voor niets op. Voor wonderen moeten we aan de slag, we moeten ze zelf verdienen. Zolang we niets beters hebben bedacht, doen we dat volgens het succesvol gebleken polderrecept. Dat vraagt in ieder geval om een goed overlegklimaat tussen overheid en sociale partners.
De voornemens van het kabinet om het spaarloon af te schaffen, de pensioenopbouw te bemoeilijken, het SER-WAO-advies niet volledig te volgen en onvoldoende te willen bijdragen aan het verlagen van de lasten van werkgevers staan een succesvol overleg in de weg. Afspraken over een langdurige gematigde loonkostenontwikkeling, lagere werkgeverslasten, investeringen in kennis, kwaliteits -cao's en de aanpak van de WAO zijn echter wél noodzakelijk. Ze komen er alleen als het kabinet bereid is de bezuinigingen en ombuigingen niet alleen te bezien vanuit de optiek van het tegengaan van een verder oplopend tekort, maar evenzeer vanuit het oogpunt van de economische effecten daarvan en de gevolgen voor het overlegklimaat. Dat een tekort onwenselijk is en het verstandig is pijnlijke maatregelen zo spoedig mogelijk door te voeren, staat niet ter discussie. Wel ter discussie staat de wijze waarop dat overschot weer kan worden gerealiseerd.
Een gezamenlijke agenda van overheid en sociale partners voor het te voeren sociaal-economische beleid biedt een beter en sneller perspectief op een herstel van onze economie en het gewenste overschot dan het onverkort door voeren van de voorgenomen maatregelen. Met de komst van het nieuwe kabinet is ook de bede weer terug. Nu het wonder nog.