PLOUAY - Op 31 juli 1944, in de beruchte slag om Avranches, vochten de Amerikaanse generaals Patton en Bradley zij aan zij. Duizenden soldaten stierven er, maar de belangrijke doortocht in Normandië, waardoor de invasie vervolgd kon worden, werd bewerkstelligd. Liefst 48 jaar later werd het Franse dorp andermaal veroverd door een persoon die de naam Bradley draagt. Ditmaal een Australische wielrenner: Bradley McGee.
Op het klimmetje naar de aankomst liet de Australiër een fraai stukje machtsvertoon zien. In de laatste kilometer demarreerde eerst de filosoof Pedro Horillo. De Spanjaard dacht al dat hij de zege op zak had, maar in de laatste meters kon McGee nog fraai langs hem komen. Op 400 meter van de streep was hij als een pijl uit het peloton geschoten. "Jeetje, wat was het zwaar", concludeerde McGee later. "Ik had de versnelling van de vlakke ritten op laten staan. De 54-11 is eigenlijk niets voor zo'n moeilijke aankomst, maar ik besefte dat ik alles of niets moest spelen. Daarom heb ik bewust niet voor een kleiner verzet gekozen."
Waar de grenzen van McGee liggen, weet niemand. De Australische hardrijder is een van de grootste talenten uit het peloton. Niet voor niets wilde de Rabobank hem vorig jaar inlijven. Jan Raas bereikte een akkoord met hem, maar de Zeeuw kwam zijn mondelinge afspraken later niet na. Toen koos McGee voor de zekerheid bij FDJeux.com. "Zelf ben ik ervan overtuigd dat ik ooit een klassementsrenner kan worden", verklaarde hij. "Ooit las ik in het wielertijdschrift Vélo Magazine de fysieke capaciteiten van Lance Armstrong. Ze komen vrijwel geheel overeen met die van mij. Dat geeft toch iets aan."
Leon van Bon maakte eveneens een hele sterke indruk, maar zijn aanvalspoging van 151 kilometer werd niet beloond. Op twee kilometer van de streep werd hij samen met zijn medevluchters Anthony Morin en Franck Renier achterhaald. "Het was jammer dat Renier erbij was", concludeerde Van Bon. "Die jongen staat op 3,5 minuut in het klassement. Dan weet je dat je niet veel ruimte krijgt. Eigenlijk heb ik de hele dag tegen beter weten in gehoopt dat we vooruit bleven. Onze enige kans was dat de ploegen van de sprinters ons lieten lopen. Deze lastige aankomst was immers niet echt ideaal voor een massasprint. Toen de voorsprong minder werd dan twee minuten, wist ik dat het voorbij was. In de lastige laatste kilometers zouden we sowieso ruim een minuut verspelen op een jagend peloton. Jammer, want met die Fransen had ik in de sprint wel afgerekend."