door Maarten van Aalderen ISTANBOEL - Na de arrestatie van de Koerdische PKK-leider Abdullah Öcalan in februari 1999 lijkt voor de grote meerderheid van de Turken het probleem van de Koerden nagenoeg afgedaan. Het terrorisme is gestaakt en het geweld in het zuidoosten, waar de Koerden wonen, is sterk verminderd. Toch is er een nijpend probleem voor enkele miljoenen Koerden die vanaf het begin van de jaren negentig massaal hun dorpen zijn ontvlucht toen ze slachtoffer werden van de strijd tussen het Turkse leger en de PKK.
Naar schatting werden bijna 4.000 dorpen met de grond gelijk gemaakt. De gevluchte Koerden leven nu in grote steden als Istanboel, Izmir, Ankara en Mersin. Wie alles van hun problemen weet, is Semra Oguz van de migrantenorganisatie Göc-Der in Istanboel. "De meeste Koerden waren boeren. Hier hebben ze geen land en ander werk vinden is moeilijk. Ze laten vaak hun kinderen werken om te kunnen overleven."
Het is dan ook geen toeval dat de jochies, die altijd met hun kistje door het centrum van Istanboel achter toeristen aanlopen om hun schoenen te poetsen, bijna altijd Koerden zijn. Niet dat de Koerdische dorpelingen rijk waren, maar alles wát ze hadden verdween.
De organisatie Göc-Der is in 1997 opgericht om de problemen van de Koerden te kanaliseren en de regering in Ankara om aandacht te vragen. "We hebben meer dan 17.000 petities naar het parlement gestuurd over hun terugkeer naar de dorpen, maar het haalt weinig uit."
Wat Göc-Der wil bereiken is duidelijk. "De Koerden willen het liefst terug naar hun eigen land, maar met een schadevergoeding voor alles wat is vernietigd, zodat ze daar een bestaan kunnen opbouwen".