Beleggers in Nederlandse aandelen hebben ondanks de terugslag van
gisteren op de Amsterdamse effectenbeurs weinig reden tot klagen. Zij
hebben over 1999 een rendement van 31% gehaald. Ook op langere termijn
is het bezit van aandelen lucratief gebleken. Een familie die al in 1900
Nederlandse aandelen bezat, heeft de koers daarvan in een eeuw tijd ruim
zien verveertigvoudigen.
Dat blijkt uit gisteren door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
bekendgemaakte cijfers. De zogeheten herbeleggingsindex van het CBS, een
barometer van de hele Amsterdamse beurs en dus niet alleen van de meest
verhandelde fondsen, steeg vorig jaar met 31%.
In deze index wordt het totaal gemeten van uitgekeerde dividenden en
koerswinsten van alle aandelen, met uitzondering van de beleggingsfondsen.
De stijging van 31% is vooral te danken aan de koersstijging van 23% in
het vierde kwartaal van 1999. De afgelopen twintig jaar was het gemiddelde
rendement 20%. Voor de belegger in aandelen was het afgelopen jaar dus
een goed jaar, maar geen recordjaar. In 1997 was de stijging nog hoger.
Damrak loopt achter
Niettemin hadden beleggers die kozen voor de beurs van Amsterdam,
er begin vorig jaar beter aan gedaan te kiezen voor buitenlandse fondsen.
Amsterdam bleef het afgelopen jaar voor het eerst na zeven jaar achter
bij de MSCI-wereldherbeleggingsindex, die met 46% steeg. Over de afgelopen
twintig jaar steeg deze wereldindex gemiddeld met 17% per jaar.
Het rendement van de beleggingsfondsen die zich richten op Nederlandse
aandelen bleef met 29% licht achter bij de Nederlandse herbeleggingsindex.
De beleggingsfondsen, die wereldwijd beleggen overtroffen de wereldindex
door een rendement te halen van 65%.
Beleggers in obligaties hebben een slecht jaar achter de rug. Het totale
rendement was min 2%. De rente op de leningen kon de daling van de koers
niet goedmaken. De afgelopen zestien jaar lag het gemiddelde rendement
op obligaties op 8%.
Koersdalingen
De aandelen in Nederland zijn in de twintigste eeuw 43 keer zoveel
waard geworden. Vanaf eind 1899 stegen de koersen gemiddeld met 4% per
jaar. Maar dat eindresultaat betekent niet dat er geen sterke koersdalingen
voorkwamen. Zo halveerden de koersen tussen 1920 en 1925, terwijl de koerswaarde
tussen 1929 en 1932 nog eens met tweederde daalde.
Pas in 1954 bereikten de koersen weer het niveau van eind 1899. In de
periode van 1955 tot 1970 nam het koersniveau met gemiddeld 6% per jaar
toe. Na een stagnatie in de jaren zeventig kwam de stijging van de koersen
in een stroomversnelling. Vanaf 1980 zijn de koersen gemiddeld met 15%
per jaar gestegen.