Jaarlijks worden er in Nederland 175 tot 350 mensen om het leven gebracht zonder dat iemand rekening houdt met een misdrijf.
Tot die conslusie komt de patholoog R. Torenbeek verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk.
In het laatste nummer van het maandblad Modus, een vaktijdschrift voor de recherche en forensische wetenschappen stelt de wetenschapper dat de 'perfectie' van deze moorden niet zozeer de verdienste zijn van de dader, maar veeleer te wijten zijn aan onkunde van de schouwende arts.
Torenbeek stelt dat de medici die betrokken zijn bij gerechtelijk onderzoek de lijkschouwingen niet altijd op een goede manier uitvoeren. In sommige gevallen gaan artsen of politieagenten bij het aantreffen van een lijk zelfs aan de mogelijkheid van een misdrijf voorbij omdat er geen letsel te zien is.
Als voorbeeld haalt hij het geval aan van een vereenzaamde alcoholist die dood in zijn woning wordt aangetroffen. Op grond van normale veranderingen die optreden aan een stoffelijk overschot werd aangenomen dat de man waarschijnlijk een week dood in zijn woning had gelegen.
Na de schouw van een politie-arts werd besloten dat er sprake zou zijn van een natuurlijke dood. Pas toen na een week de opgespoorde nabestaanden van de overledene tot de ontdekking kwamen dat er spullen uit de woning waren gestolen werd besloten tot een hernieuwde lijkschouwing. In het mortuarium bleek de man bij nader onderzoek een schoenprofiel op zijn rechter wang te hebben staan. Bij de daaropvolgende sectie bleken alle ribben op diverse plaatsen te zijn gebroken....
Volgens de arts staat de forensisch-medische wetenschap in Nederland "nog in de kinderschoenen." "Politie-artsen worden gedurende een week ingewerkt en mogen vervolgens zelfstandig handelen," aldus Torenbeek.