DNB voltooit
afslankoperatie
nevenvestigingen
AMSTERDAM, dinsdag
De Nederlandsche Bank (DNB) heeft haar netwerk
teruggebracht van twaalf agentschappen tot vier. Gisteren sloot de
laatste overbodige nevenvestiging, die in Arnhem, haar deuren.
De lokale kantoren van de centrale bank zijn overbodig
door de steeds nadrukkelijker rol die grote banken spelen bij het
tellen en sorteren van bankbiljetten. DNB acht een verdere reductie
niet nodig, omdat de veiligheid en logistiek dan in het geding zouden
kunnen komen. De bank houdt dan ook vier kantoren open: de hoofdbank in
Amsterdam en 'bijbanken' in Eindhoven, Hoogeveen en Wassenaar.
Het filiaal in Arnhem was eind 1864 een van de eerste
kantoren die DNB buiten Amsterdam opende. De eerste Bankenwet van 1863
dwong de bank daartoe, omdat het in iedere provincie minimaal
één agentschap moest hebben. Het netwerk groeide daarna
snel uit tot zeventig vestigingen.
"Hierdoor kwamen de bankbiljetten in handen van
groepen van de bevolking die daar voordien bijna niet bekend mee
waren", zo blikte DNB-president N. Wellink gistermiddag terug bij
de sluiting van DNB Arnhem. De nevenvestigingen hebben volgens de
bankvoorman een belangrijke rol gespeeld bij de opkomst van het
bankbiljet tot nationaal betaalmiddel.
De bankiersfunctie van DNB in de provincie
verschrompelde in de dertiger jaren door de komst van particuliere
banken. Deze namen een groot deel van de centrale bank-functies over,
wat zijn weerslag had op de omvang van het netwerk. De ongeveer vijftig
bankemployees, die bij de laatste 'snoeiactie' betrokken waren, zijn
inmiddels overgestapt van het lokale kantoor naar de vier overgebleven
filialen of met pensioen gegaan.
|