Nederlandse watersector
gaat beter samenwerken
door CINDY CLOÏN - ODIJK, maandag
De Nederlandse watersector loopt het risico om in de
toekomst haar belangrijke positie op de internationale watermarkt te
verliezen, omdat de sector versnipperd is. En dat terwijl deze markt
juist steeds verder groeit.
Een gebrek aan voldoende zoet water zal de komende
decennia wereldwijd tot grote problemen gaan leiden. Volgens de
Verenigde Naties zal in het jaar 2025 eenderde van de wereldbevolking
te weinig water tot haar beschikking hebben. Grote projecten zijn nodig
om het aanwezige water zo goed mogelijk te verdelen en te benutten.
Nederland heeft van oudsher veel te bieden als het gaat
om kennis en ervaring op het gebied van waterbeheer en waterwerken. De
baggeraars hebben internationale bekendheid, maar ook op het gebied van
de aanleg van drinkwatervoorziening of de zuivering van afvalwater
heeft Nederland een goede naam.
Bij de uitvoering van waterprojecten is echter steeds
meer behoefte aan een integrale benadering. Dit betekent dat binnen
één project bijvoorbeeld een dam moet worden aangelegd en
dat tegelijkertijd de huizen van omwonenden moeten worden aangesloten
op een drinkwater- en rioleringssysteem.
Om deze ontwikkeling naar integraal waterbeheer te
kunnen volgen, is het noodzakelijk om meer samen te werken binnen de
verschillende watersectoren. Dit besef heeft vorig jaar geresulteerd in
de oprichting van de stichting het Netherlands Water Partnership (NWP).
Deze stichting gaat de samenwerking tussen Nederlandse bedrijven, de
overheid en kennisinstituten coördineren.
"Op die manier kan de positie op de internationale
watermarkt worden versterkt", denkt NWP-voorzitter prof. W.
Segeren. "Want als iedereen bezig blijft met zijn eigen toko, dan
nemen andere landen straks een voorsprong op Nederland. Landen als
Egypte, Canada en Zweden zijn grote concurrenten." De stichting
onderzoekt waar de mogelijkheden en kansen liggen voor de Nederlandse
watersector, vergeleken met de concurrenten.
De jaarlijkse 'wateromzet' die door Nederland in het
buitenland wordt behaald, bedraagt vele miljarden guldens. Alleen al de
baggeraars en bouwers van bijvoorbeeld dammen behalen jaarlijks een
omzet van 5 miljard. Consultants verdienen ongeveer 1,5
miljard aan waterprojecten in het buitenland. Daarnaast worden er ook
nog enkele miljarden omgezet door leveranciers van pompen en andere
kapitaalgoederen, universiteiten, de overheid en nutsbedrijven.
Iedereen die 'iets' doet op het gebied van water kan
zich aansluiten bij de stichting. "Dat kan variëren van
irrigatie tot drinkwatervoorziening, het bedijken van rivieren of
reinigen van afvalwater", zegt Segeren. Een jaar na de oprichting
zijn er al meer dan 60 partijen aangesloten bij het NWP, waaronder een
aantal ministeries, ambassades, adviesbureaus, universiteiten en
bedrijven.
Nederland loopt echter niet voorop als het gaat om
samenwerking tussen verschillende watersectoren. "Al vanaf de
jaren '50 bestaan er grote internationale waterorganisaties met ieder
een eigen specialisatie, zoals irrigatie", zegt Segeren.
"Hierdoor was er goede samenwerking tussen landen, maar alleen op
de afgebakende gebieden. De laatste jaren gingen steeds meer
verschillende organisaties samenwerken. Twee jaar geleden heeft dit
geleid tot de oprichting van een World Water Council."
Het NWP sluit aan bij deze overkoepelende
waterorganisatie, die de waterproblematiek breder onder de aandacht wil
brengen. Ook onderhoudt de stichting contact met mogelijke
opdrachtgevers, zoals de Wereldbank of grote financiële
instellingen. "Voor de opdrachtgevers is het makkelijk en
duidelijk als er één aanspreekpunt is van waaruit
projecten kunnen worden gecoördineerd", vindt Segeren. Of dit
leidt tot een toename van het aantal buitenlandse waterprojecten moet
nog blijken.
"Het NWP zit nog in de beginfase. Maar zonder
samenwerking zal de Nederlandse watersector het in ieder geval niet
gaan redden", aldus Segeren.
|