De Financiële Consument
onder redactie van Peter van der Tuin. Bijdrage: Theo Mebius en Beijer
Advies.
Uw pensioenvoorziening is feitelijk niets anders dan
een grote zak met geld. Die zak wordt gevuld doordat er jaarlijks
premies worden gestort en doordat op de inhoud van die zak rendement
wordt gemaakt. Dit is allemaal belastingvrij. Op de datum van
pensionering vindt de omslag plaats. Daarna komen er geen premies meer
bij, maar wordt er jaarlijks uitgekeerd.
Wel blijft de pensioenpot nog groeien met het
rendement. Omdat de pot slinkt neemt het rendement echter geleidelijk
af. In het verleden had je als werknemer zelf weinig over die
pensioenpot te zeggen. Nu wordt dat anders. Je kunt tot op zekere
hoogte zelf (mee)bepalen wat er met die pot gebeurt. Bijvoorbeeld
eerder met pensioen gaan. Vroeger heette dat VUT, nu pre-pensioen. Hoe
gaat dat in z'n werk en wat zijn de consequenties?
Revolutie in pensioenland (III)
De nieuwe wet "Fiscale behandeling van
pensioenen" gaat ervan uit, dat het geleidelijk aan meer standaard
zal worden om op zestigjarige leeftijd het arbeidsbijltje erbij neer te
leggen. Ondanks dit wettelijke uitgangspunt is de praktijk, dat het
merendeel van de thans geldende pensioenvoorzieningen pas ingaat op
65-jarige leeftijd. Vijf jaar eerder stoppen met werken betekent echter
dat daar forse bedragen mee gemoeid zijn. Dat is logisch, want tussen
het 60ste en 65ste jaar ontvang je nog geen AOW. Het pensioen moet in
die jaren dus hoger zijn dan daarna. Bovendien groeit je pensioenpot
met name in de laatste vijf jaar het sterkst, doordat er dan al veel
geld in de pot zit en er in die jaren dus veel rendement wordt gemaakt.
Aan de hand van enkele voorbeelden kunnen de
financiële consequenties van eerder stoppen met werken in kaart
worden gebracht. Daartoe gaan we uit van een jongeman van 25 jaar met
een jaarsalaris van 60.000. Voor de AOW behoeft geen voorziening
te worden getroffen. Dan blijft een bedrag van 34.000 over. Voor
dit bedrag moet een pensioenvoorziening worden gebouwd.
Als deze jongeman met z'n 65ste met pensioen gaat (en
dan 70% van z'n salaris gaat ontvangen) dan zijn er nog veertig jaren
te gaan. Dat wil zeggen dat 70% gedeeld door 40 is 1,75% per jaar moet
worden opgebouwd. Op z'n 65ste ontvangt hij dan ouderdomspensioen van
23.800 plus de AOW. Komt hij voor z'n 65ste te overlijden, dan
ontvangt zijn partner een pensioen van 16.660. De premie voor
deze pensioenvoorziening, inclusief het partnerpensioen, bedraagt
5.000 per jaar.
Zou dezelfde jongeman op z'n 60ste met pensioen gaan,
dan moet de periode tussen z'n 60ste en 65ste levensjaar worden
overbrugd. Omdat hij in die jaren nog geen AOW krijgt, dient over die
vijf jaar een hoger pre-pensioen beschikbaar te zijn. We stellen dit
voor die vijf jaar op 36.000 per jaar. Blijft het pensioen nadien
gehandhaafd op 23.800 en blijft ook het partnerpensioen beperkt
tot 26.660, dan moet de totale pensioenvoorziening worden
opgebouwd in 35 in plaats van 40 jaar. Er dient dus niet 1,75% per
jaar, maar 2% per jaar te worden opgebouwd. De premie hiervoor bedraagt
9.500 per jaar.
Uit dit voorbeeld blijkt dus dat eerder met pensioen
gaan bijna twee keer zoveel aan premie vergt! In dit voorbeeld gingen
we uit van iemand die nu 25 jaar is en dus nog een lange weg te gaan
heeft. Zou zijn salaris niet 60.000 maar 100.000 per jaar
zijn, dan is de premie over z'n werkzaam leven bij pensioen op 60jarige
leeftijd nog altijd circa 66% hoger dan wanneer hij met z'n
pensionering wacht tot zijn 65ste.
De nieuwe fiscale pensioenwet, die op zeer korte termijn
in werking treedt, geeft de (fiscale) mogelijkheid om een pre-pensioen
op te bouwen in tien jaar voor de pre-pensioendatum. Stel dat iemand 50
jaar is en een salaris heeft van 100.000. Hij heeft een
pensioenpolis die op z'n 65ste ingaat en daarvoor wordt 15.000
premie per jaar betaald. In tien jaar wil hij een pre-pensioen opbouwen
dat op z'n 60ste ingaat. Verder gaan we ervan uit dat het
ouderdomspensioen op z'n 65ste gelijk blijft. Het pre-pensioen bedraagt
85% van het jaarsalaris en dat komt dus uit op 85.000. Bovendien
moet de premie van 15.000 per jaar tussen z'n 60ste en 65ste jaar
worden doorbetaald.
De kosten voor het pre-pensioen zullen dan tussen 50 en
60 jaar uitkomen op ca. 40.000 per jaar. Dit wil zeggen, dat er
een extra bedrag van 400.000 moet worden opgebracht om vijf jaar
eerder met pensioen te kunnen gaan. Duidelijk dus, dat het hierbij gaat
om grote bedragen.
Hiervoor is al kort gesproken over het
partnerpensioen, dat nodig is om financiële inkomsten voor de
partner te genereren indien de kostwinner komt te overlijden. Soms is
dat niet nodig, omdat de partner eigen inkomsten heeft of er helemaal
geen partner is. Bij de nieuwe wetgeving kan men echter afzien van dat
partnerpensioen en blijft er dus (soms aanzienlijk) meer over voor het
pensioen van de kostwinner. Men spreekt dan van een uitruilregeling.
Over dit zeer interessante onderwerp melden we meer in een volgende
aflevering van deze rubriek.
Met pre-pensioen gaan om bijvoorbeeld een fietstocht
door de wereld te maken is leuk. Maar het kost wel erg veel geld aan
pensioenpremie.
FOTO: ARCHIEF
|