Word
gelukkig: Neem ontslag!
door Marjolein Hurkmans
Doet u wel eens niets? Gewoon
helemaal niets? Of bent u net als iedere andere gemiddelde
Nederlander. Als u afgemat thuiskomt van uw veeleisende
baan gaat u eerst het gras maaien, vervolgens die
boekenplank ophangen die al een week in de schuur
staat, eten koken en dan na Barend en Van Dorp ingestort
naar bed. Tot hier en niet verder. Stop de intercity
die u uw leven noemt; neem vrij, desnoods ontslag!

Illustratie: Dilys de Jong
Wilt
u reageren op dit artikel, klik dan hier
Als het aan Ernie J. Zelinsky ligt,
zeggen wij maandag namelijk massaal allemaal onze
banen op. In het boek Nietsdoen, een levenskunst
(uitgeverij Synthese) adviseert hij ons zoveel
mogelijk vrije tijd te nemen. Hoe we dat moeten doen
en vooral hoe we al die loze uren gaan invullen, weet
hij ook. In 240 pagina's legt hij ons precies uit
hoe we van verveelde 'couch potatoes' kunnen veranderen
in energieke levensgenieters.
Daar
gaan, zoals het een goede goeroe betaamt, veel oneliners
mee gepaard. Van die tsjakka-kreten die ons de juiste
motivatie moeten geven om het leven te gaan leiden
dat Zelinsky ons als een wortel voorhoudt. Om er een
paar te noemen: de moraal van werk is de moraal van
slaven; werk is het mooiste dat er is, dus moeten
we altijd wat bewaren voor morgen; gezien de overvloedige
hoeveelheid werk waaraan workaholics zich te buiten
moeten gaan om zeer matige resultaten te bereiken,
zijn de meesten behoorlijk incompetent.
Maar ondanks die kreten zit er natuurlijk
ook wel weer wat in. In deze tijd waarin nog nauwelijks
iemand er zeker van kan zijn dat hij of zij over een
half jaar nog steeds een vaste baan heeft en waarin
steeds meer mensen vlak na het behalen van de pensioengerechtigde
leeftijd van pure onmacht om hun dagen zonder betaalde
arbeid te vullen het loodje lijken te leggen, is een
zelfhulpboek over vrijetijdsbesteding op zich geen
overbodige luxe. En als je het advies 'neem ontslag'
terzijde legt, houd je aan 'nietsdoen, een levenskunst'
precies zo'n boek over. Het staat boordevol oefeningen
om je aan te leren hoe je je vrije tijd het beste
kunt benutten. En adviezen die het werkloze leven
moeten veraangenamen. Zelinsky noemt zichzelf dan
ook een vrijetijdskenner, wat hij kennelijk ooit is
geworden in een gedwongen arbeidsvrije periode. "En
door een vrijetijdskenner te zijn", zo schrijft hij,
"kun je beter van het leven genieten dan wanneer je
je ziel en zaligheid in je werk legt." Immers: "Als
je gelukkig bent zonder baan, zit je in een veel betere
gemoedstoestand dan terwijl je op zoek bent naar werk";
"aangezien de werkeloosheidscijfers hoog blijven,
zullen de meeste mensen vaker en langer zonder werk
zitten"; "als je je identiteit op je werk baseert,
raak je jezelf kwijt wanneer je je baan kwijtraakt".
En tot slot: "als je leert gelukkig te zijn zonder
baan, zul je niet zo bang zijn om hem te verliezen."
Slavernij
Dat het arbeidsethos dat heden
ten dage opgeld doet - en wat Zelinsky toeschrijft
aan de protestanten - niet het juiste is, bewijst
hij met een verwijzing naar de Grieken en de Romeinen.
"De oude Grieken vonden werk iets ordinairs. Werk,
alleen om het werk zelf, betekende slavernij en een
gebrek aan productiviteit. De enige reden om te werken,
was om meer vrije tijd te krijgen. Socrates beweerde
dat aangezien handwerkslieden geen tijd hadden voor
vriendschappen of voor dienstbaarheid aan de gemeenschap,
ze slechte burgers waren en ongewenst als vrienden."
En ook later in de geschiedenis werd
een noeste arbeid niet als het hoogste goed beschouwd,
zo meldt de levenskunstenaar. "Hoewel de Europese
boeren in de Middeleeuwen arm en onderdrukt waren,
maakten ze geen lange werkdagen. Ze vierden de naamdagen
van zelfs de meest onbekende heiligen; als gevolg
kregen ze in de loop van de tijd steeds meer vrije
dagen en steeds minder werkdagen. Het normale aantal
feestdagen was op een zeker moment honderdvijftien
per jaar."
Dat is andere koek dan wat wij tegenwoordig
te verhapstukken hebben aan vakantiedagen. Vijfentwintig
ongeveer, als het meezit komen daar nog een à twee
dagen bij wegens overwerk. Die wij - volgens Zelinsky
- vervolgens niet eens opnemen omdat we allemaal denken
dat we onmisbaar zijn en door een achterhaalde religie
ons vreselijk schuldig voelen wanneer we van het leven
genieten in plaats van ploeterend ten onder te gaan.
"De hele natie is gek geworden. Zakenlieden, net als
iedereen, staan er nog steeds op zes dagen per week
te werken. Hoewel ze recht hebben op 25 vakantiedagen,
nemen ze hooguit zes dagen op. Als zakenmensen vakantie
nemen, weten ze niet hoe ze moeten ontspannen. In
plaats daarvan rennen ze van hot naar her en putten
zich uit om zoveel mogelijk uit hun vrije tijd te
halen als maar kan. Het Japanse arbeidsethos is zelfs
zo sterk dat ze een ziekte hebben ontwikkeld die ermee
gepaard gaat. Karoshi is de Japanse term voor een
plotselinge dood door overwerk en 10 procent van de
Japanse mannen overlijdt eraan."
Het
advies van de auteur om meer vrij te nemen, is dus
zo gek nog niet. Het vervelende
is alleen dat je aan vrij zijn moet wennen. Anders,
zo waarschuwt hij, ben je straks gepensioneerd of
werkloos en zit je je achter de geraniums suf te vervelen,
omdat je in het verleden alleen maar hebt gewerkt
en geen enkele hobby hebt ontwikkeld. En daar is dan
meteen de praktische eerste stap naar een vruchtbaar
arbeidsloos bestaan: begin aan een, of het liefst
meerdere, hobby's die je straks door al die vrije
tijd heen kunnen helpen. Maak een lijstje, zegt Zelinsky,
met de dingen die je graag zou willen doen. Stel je
hebt nog maar zes maanden te leven en wat zou je in
dat halve jaar zeker nog ondernomen willen hebben.
Hij doet daarbij meteen wat tips aan de hand, die
variëren van het 'met blote voeten door een vennetje
lopen' tot 'leren achteruit rennen', 'beroemde citaten
leren' en 'goud zoeken'.
Die laatste tip lijkt ons nog wel
een praktische. Immers, als we morgen ontslag nemen
wie betaalt dan overmorgen de hypotheek en de boodschappen?
Want hoewel Zelinsky zegt dat wij geen geld nodig
hebben om gelukkig te zijn en een leuk leven te leiden,
denken wij dat meneer Albert Heijn ons ziet aankomen
als wij met dit motto een volle boodschappenkar langs
de kassa proberen te rijden. Zelinsky's ervaringsverhaal
over hoe om te gaan met een incassobureau dat onbetaalde
rekeningen wil innen, kunnen wij ook geen echte aanrader
noemen: "Toen ik op de armoedegrens leefde en een
incassobureau achter mijn broek had vanwege de afbetaling
van een lening, had ik een aantal creatieve trucs
achter de hand om met de medewerker van dit bureau
om te gaan. Mijn altijd doeltreffende oplossing was
niets te zeggen als de medewerker zichzelf eenmaal
bekend had gemaakt aan de telefoon. In plaats daarvan
sloeg ik de hoorn tegen mijn bureau tot hij ophing."
Natuurlijk heeft hij weer wel gelijk
als hij zegt dat een heleboel materiële zaken overbodig
zijn, maar de vraag die je daar tegenover kunt stellen,
is hoe hij denkt de toch soms prijzige tips uit zijn
hobbylijstje als naar een tennisclub gaan, een nieuw
restaurant uitproberen of reizen te kunnen betalen
wanneer het inkomen terugvalt tot een bestaansminimum.
En zelfs een bestaansminimum - Zelinsky heeft het
over 500 euro per maand - moet ergens vandaan komen.
De Grieken hadden slaven om het werk te doen; we zouden
natuurlijk een vergeten stam aboriginals kunnen importeren.
Vooralsnog houden we echter onze ontslagbrief nog
maar even bij ons. Er is immers nog een andere oneliner
die het nodige gewicht in de schaal legt: "Wie doet
wat hij leuk vindt, hoeft geen dag in zijn leven te
werken."
|