AMSTERDAM - Wie zijn IQ wil verhogen, dient zich op het Internet te begeven en daar de ene na de andere intelligentietest te maken. Helemaal logisch is dat niet, want wetenschappers zijn er inmiddels ook achter dat IQ samenhangt met de schedelgrootte. Daarmee geven ze eigenlijk aan dat de omtrek van de schedel door surfen op het net wordt vergroot.
Het intelligentie quotiënt - IQ - zou aangeven hoe intelligent iemand is. Maar in het U-blad van de Universiteit Utrecht wordt ook daar al aan getornd. Want er bestaat geen eensluidende definitie van intelligentie. Eigenlijk meet het IQ de vaardigheid die iemand heeft om ingewikkelde problemen op te lossen.
Francis Galton, de neef van Charles Darwin, bedacht als eerste dat een eigenschap als intelligentie te meten zou zijn. Hij bedacht, beïnvloed door Darwin, dat menselijke capaciteiten erfelijk zouden zijn. Verrichtte hij zijn testen nog op basis van zintuigelijke prestaties van de proefpersonen, de Fransman Alfred Binet en daarna de Amerikaan Lewis Terman legden de basis van de huidige meetwijze van het IQ.
Het getal 100 werd vastgelegd als gemiddelde. Wie een IQ van 100 heeft heeft een individuele score die gelijk is aan de gemiddelde score. Tussen de 60 en 80 is men 'moeilijk lerend', onder de 60 'zeer moeilijk lerend'. Wie een IQ heeft dat de 130 te boven gaat, is hoogbegaafd. Veelal gaat men er van uit dat iemand met een IQ van 125 in staat moet zijn een academische opleiding af te ronden.
En dan het internetten. Hoe meer tests men maakt, hoe bedrevener men er in wordt, hoe sneller de antwoorden op de vraagstukken op het scherm zullen verschijnen. En: hoe hoger de IQ-score die men haalt.